Gijs Lauret

Alledagsverhaaltjes, amateurvoebel, Ajax enzo, Het Vijftiende

Mijn dochter is een echte Ajacied

Mijn dochter is een echte Ajacied 1“Groot”, prevelt Isa, zichtbaar geïmponeerd. Ze kijkt omhoog naar het betonnen ruimteschip dat we Amsterdam Arena noemen. Mijn oudste en ik staan hand in hand op de roltrap. Ze vindt het spannend, Ajax in het echt zien. Het voorgenomen kanonnenvoer heet vandaag Excelsior. Ik voel voorzichtige buikkriebels als we ons vak betreden. Isa zwijgt. Haar kastanjebruine ogen glijden over de halfvolle tribunes. Onbewust knijpt ze in mijn vaderlijke hand. Ondanks deze verpletterende indrukken neemt ze geconcentreerd de traptreden richting onze zitplaats. Isa babbelt over alles wat ze ziet en vraagt wat het allemaal te betekenen heeft. Ik luister geduldig en verklaar. De wedstrijd begint. Er rolt nog maar amper een bal of daar ontspruit haar ongeduld.

“Ik ben boos op Ajax omdat ze nog geen doelpunt hebben”, zegt Isa plompverloren. We schrijven minuut veertien. “Ik blijf boos kijken tot ze een doelpunt hebben”, grapt ze en fronst haar wenkbrauwen gespeeld ernstig. “Ik vind Ajax gemeen omdat ze geen doelpunt maken”, zegt zij even later. Dat Excelsior misschien zou kunnen scoren is überhaupt geen optie, lijkt het. Ze heeft er verstand van, zeg ik je.

Mijn dochter is een echte Ajacied 2“Hoe vind je het, Isa?” vraag ik tijdens de rust, in de rij voor een zakje M&M’s.

“Ik wil elke keer met jou gaan, papa!” roept ze enthousiast. Precies wat papa wil horen, wat een lekker ding is ze toch.

“Ja, vind je het leuk? Wat vind je het allerleukst?” vraag ik.

“Gewoon alles, papa.” Tuurlijk, domme vraag ook.

Het is niet veel. Ajax voetbalt als een stelletje terminale chihuahua’s, Excelsior speelt guerrillaoorlogje vanuit een dichtgemetselde zestien. Het talrijke bioscooppubliek zit onderuitgezakt te suffen. Af en toe vloekt of tiert onze opgefokte buurman. Isa bestudeert dit wonderlijke volwassenmannengedrag en nestelt zich dichter tegen me aan. Duim in de mond, knuffeltje in de hand. Dit is dus voetballen, lijkt ze te denken. Ingedommelde toeschouwers en in de verre verte wat rennende mannetjes met een bal.

Minuut 83 breekt aan. Zivkovic bedient ruwe diamant El Ghazi, die bewijst dat hij kopsterk is: 1-0. Plotseling staat de ingeslapen tent op zijn kop. Isa lijkt verrast door de onverwachte decibellen. Ik til haar op zodat ze de juichende spelers kan zien.

“Dat was een doelpunt voor Ajax Ies! Zag je het?” roep ik naast haar oor, terwijl er een glas bier langs vliegt.

Mijn dochter is een echte Ajacied 3“Nee, niet gezien. Een klein beetje gezien”, stamelt ze. Isa bekijkt springende mensen die en masse roepen dat ze Joden zijn. Ze verstaat het niet, dat scheelt me een hoop ingewikkelde gesprekken.

“Nu wil ik wel naar huis”, fluistert Isa, op schoot in de metro.

“Hoe was het bij Ajax, Ies?” vraagt mama, terwijl ze appelmoes opschept.

“Ja goed leuk, mama. Dat was echt leuk. Het was echt heel slecht geweest, de hele tijd 0-0 en toen was het toch 1-0 en het was echt heel slecht, maar Ajax had gewonnen van Celsio”, verklaart de piepjonge analyticus genadeloos. Een vierjarige die klaagt over slecht spel na een overwinning. Dat moet wel een echte Ajacied zijn.

Gijs Lauret

Comaklassieker

ComaklassiekerDe Amsterdam Arena verwacht ons, want De Klassieker staat op de rol. Met het ochtendgloren, rond half een, trapt het zootje af. Ajax zal Feyenoord een gebruikelijk pak rammel geven, zeker weten. Frankie en ik staan te popelen om onze fietsen te bespringen, maar gabbertje Koen is nog niet onderaan de trap verschenen. Voor mij was het vannacht geen vroegertje (mijn kartonnen hoofd tolt zachtjes na), maar voor Koentje al helemaal niet. Het is kwart voor twaalf, broze seconden tikken weg. De gladiatoren beginnen onderhand aan hun warming-up.

Krachtig druk ik op de wrakkige deurbel. Niks. Licht gejaagd gris ik mijn smartphone uit een broekzak en stuit op zijn altijd originele voicemail (“Niet ophangen want ik luister mijn voicemail altijd af, ik zweer het!”). We moeten nu pleite, willen we die godvergeten aftrap überhaupt meemaken. Nood breekt wet; dit schreeuwt om radicale middelen. Ik trotseer de voordeur met een reservesleutel. Sprongsgewijs bestijg ik de trap. Boven ontmoet ik onheilspellende stilte.

“Hee ouwe gek! We moeten gaan ouwe!” roep ik door het huis. Niks. Ik zet drie voorzichtige stappen de woonkamer in. Aan de gezellige wanorde zie je dat hier meeslepend wordt geleefd. Toch zie ik niets levends. Er resteert één deur. Daarachter gebeurt het. De slaapkamer.

“Yo gast! Koen!” luidt mijn laatste vocale poging. Niks. Ik klop stevig op de gammele deur. Niks. Ik zal hem als eenmans arrestatieteam van zijn nest moeten lichten, het zij zo. Achter de deur tref ik dekens, machtig veel dekens. Ik ontwaar twee verscholen slapers. Van Koen is slechts een halve kruin zichtbaar. Gevalletje diepe coma. Zijn vriendin ontwaakt en zwaait me vrolijk doch verdwaasd toe. Ik erken dat dit raar is, maar ja. De Klassieker. Koen verkeert in een onnavolgbare wereld ver van hier.

“Hee luldebehanger! We moeten gaan ouwe! Ze beginnen zo. Klassiekertje, weet je wel.” Hij draait apathisch zijn afwezige harses en begint nauwelijks verstaanbaar te bazelen.

“Huh? Hoezo is de wekker niet gegaan? Huh wat?”

“Ja gast, je kunt over je wekker lullen, maar je moet opstaan, als je nog wat van de wedstrijd wil zien. Kom op lullo!” Hij kijkt me diepverstoord aan, omdat ik zijn onderbenen als bankje gebruik.

“Shit man, ik heb drie uur geslapen ofzo”, kermt hij nasaal.

“Gast, als je nu niet opstaat, ga ik foto’s maken!” luidt mijn finale dreigement.

“Rot op man, rot op man, godverdomme”, mompelt hij geagiteerd. In een halve seconde staat hij naast me en wrijft de coma uit zijn bruine ogen.

“Gaan jullie maar alvast. Ik heb geen fiets. Een of andere debiel heeft zijn fiets aan die van mij vastgemaakt. Ik pak de metro. Bedankt voor het wekken.” Het verrassende voorspel van deze Klassieker is een weergaloos hoogtepunt. De Klassieker zelf is namelijk een gênante aanfluiting, een teistering voor het vermoeide oog.

Gijs Lauret

Troost in Pumpe Eins

Dat vermaledijde internet is driedubbel drama in dit verder gerieflijke Duitse gehucht. Online voebel kijken kan ik dus vergeten. Wie troost mij? Nog niemand. Wat doe jij als je troost zoekt? Een recordpoging gore frikadellen vreten? Zuipen tot je bralt als Willibrord Frequin? Je kat tongzoenen? Voor mijn portie troost kijk ik Brazilië tegen Oranje, de godgeklaagde troostfinale, de onzinnigste wedstrijd van het WK. Dat doe ik bij Nederlandse pensionado’s hier verderop. Zij runnen een gemoedelijke bed & breakfast met de legendarische naam Pumpe Eins.

Troost in Pumpe Eins 1De ‘Gaststube’ is leeg als de Griekse staatskas terwijl de babbelgrage vrouw des huizes me alle ins en outs van het koffieapparaat toelicht. RvP (Robin van Persie, red.) heeft zijn goaltje al gemaakt voordat ik in een luie stoel neerzijg. De gastvrouwe kwettert de klapperende oren van mijn stadse harses maar is op een vreemde manier onderhoudend. Nadat Daley subliem heeft gescoord (0-2) komen Henk en Paula binnen. Paula heeft in januari haar moeder verloren. Nu wil ze “even helemaal weg” en “geen stress”. Heel begrijpelijk. Temeer daar Paula alles zelf heeft moeten doen; haar nietsnutbroer vrat geen mallemoer uit. “En mijn zus heeft twee keer ingebroken en alles meegenomen. Er was alleen nog maar troep over!” Van je familie moet je het hebben. En van je werkgever natuurlijk: “Ze eisten dat ik de dag na de begrafenis kwam werken. Toen ik dat niet deed, hebben ze mijn salaris stopgezet.” Joop, eigenaar van Pumpe Eins, wordt plaatsvervangend woest: ”Ik zou me daar nooit bij neerleggen! Die mensen moeten allemaal geschorst worden!” De rampenverhalen van Paula geven het volgen van de wedstrijd een bijzonder cachet. Alle pijnlijke pech relativeert enigszins de nationale ramp van 200 miljoen Brazilianen. Paula verbreedt ondertussen haar algemene kennis: “Hoe lang duurt een wedstrijd? Zestig minuten?” Het gezapig potje kenmerkt zich door een kansloos prutsend Brazilië en een verknipte scheids die almaar poogt zelf aan de bal te komen. Joop doorziet het spelletje en heeft het chronisch gehad met RvP: “Kan er niks van. Al jaren niet.” Onderwijl vervolmaakt Koning Louis de Braziliaanse vernedering door zijn keepertje weer eens te wisselen en drukt uitgerekend Wijnaldum Nederlands derde punt.

Troost in Pumpe Eins 2Door het stikdonker van een onverlichte Duitse nacht wandel ik naar ons comfortabele onderkomen. Kleine Nina is aan de beurt voor haar gebruikelijke nachtflesje. Ze ligt me trappelend in haar slaapzakje op te wachten. Klaarwakker. Onder zachte genotsgeluidjes drinkt ze haar melkie op. Ze laat een bulderende boer in papa’s verraste smoel en lacht breeduit. Ik verwissel haar zompige luier. Met haar kleine voetjes trommelt ze loeihard op de houten commode. Zo gauw ik haar aankijk krijgt ze de slappe lach. “Wat een lekkere mafkees ben jij”, fluister ik. Het is half twee. Het ganse pand ligt prinsheerlijk te ronken. Nina lacht met de seconde luider. Ik ontvang een intense blik en onze ogen voelen als één. Wij begrijpen elkaar. Zo goed, dat ze met volle babykracht vooruit over me heen kotst. Een tuinslang is er niks bij. Glibberglanzende witte melkresten op mijn natte shirt. Nina schenkt me haar breedste lach tot nu. Vanuit mijn warme nest hoor ik gemoedelijk gebrabbel en gekraai. Slapen zal die kleine draak voorlopig niet, maar dat maakt niet uit. Ik ben nog nooit zo bijzonder getroost als vanavond. Langzaam verlies ik mijn bewustzijn.

 

Gijs Lauret

Wer rasiert, verliert

Wer rasiert, verliert 1Wer rasiert, verliert. Dat is genoegzaam bekend. En verliezen, daaraan heb ik vele broertjes dood. Laat ik het zo zeggen: daar ben ik tot 14 juli sowieso niet aan toe. We moeten keihard de finale halen. Wreed afrekenen met die bloedzuigende Argentijnen onder inspiratieloze aanvoering van La Pulga (De Vlo, red.), de superbe klassedwerg Messi. In de geest van het schitterende Duitse gezegde heb ik naar prachtig Rheinland Pfalz geen scheerschuim mee, maar tors ik een bijgelovig vakantiebaardje. Voor de opmerkzame lezer: wij vertoefden hier inderdaad eerder en maakten destijds de wildste avonturen mee (zie bit.ly/1n1EwdT en bit.ly/1oCmFyg).

Ons handzame iPadje (bedankt, vader) werkt zich over de kop om mij Oranje te laten zien.  Met verse WIFI kan alles, ook als je ergens in een onbereikbaar gat zit. Zo’n stream heeft een vette minuut vertraging. WhatsAppend tijdens de gruwelijke slachting van de Goddelijke Kanaries liep ik zomaar twee Duitse goals achter de ongelooflijke feiten aan. Ik zal vanavond dus jubelen of treuren om het verleden.

Wer rasiert, verliert 2Aldus zit ik op een comfortabele lederen hangbank opgevouwen naar dat kleine schermpje te staren. Vriendinlief steunt moreel door soms een minuutje mee te gluren alvorens verder te surfen; dat hippe model schoenen is ook nergens verkrijgbaar. Met een bovenliggend Argentinië gieren onverdraagzame zenuwen door mijn hulpeloze zelf. Mijn blaas is tien keer leeg maar ik ervaar voortdurende urinedrang. Voebel om de knikkers is rampzalig voor je hart. Misschien onbegrijpelijk, maar ik geniet van de oplopende spanning. Ons keepertje Jasper heeft nergens last mee en kapt het volgevreten spitsje, ooit actief voor een onbeduidend Madrileens clubje, weergaloos uit. Voorin is het overigens huilen met de pet op; La Naranja Mecánica creëert nog geen verlopen pepernoot.

Wer rasiert, verliert 3Vriendinlief vindt het dermate spannend dat ze nagenoeg in slaap valt. Zij wordt in de rust gewisseld; team Lauret kijkt met één man verder. Ik voel hernieuwd vertrouwen totdat in minuut 55 spontaan het beeld op zwart gaat. Mijn hartslag en bloeddruk gaan door het dak. Ik onderdruk ijskoud iedere emotie om finaal flippen te voorkomen. Dat houd ik een minuutje vol. In dat fatale minuutje merk ik dat ook de hoogbejaarde laptop en mijn krakkemikkige telefoon weigeren te helpen. Ik scheld de hele tent verrot, op gedempte toon; mijn drie vrouwen zij hun welverdiende nachtrust gegund. ‘Sorry, de video kan op dit moment niet worden afgespeeld’, spuugt de onuitstaanbare iPad steeds opnieuw in mijn gezicht. Ik draai bijkans door en overweeg 112 te bellen om vier acute bypasses te eisen. Gelukkig is Radio 1 behulpzaam via mijn telefoon. Jackie en zijn iets normalere secondant Ronald lullen me bij. Sinds ik Jack hoor krijg ik het hoopvolle gevoel dat Nederland stukken beter voetbalt. Met de laptop op schoot, de iPad naast me en mijn telefoon in een hand probeer ik wanhopig, waar dan ook, iets van een rollende bal te zien. Kansloze exercitie. We gaan verlengen, vertelt Jackie. Ondertussen schijnt het kijkspel een afgrondelijke teistering voor de neutrale toeschouwer. Misschien is het een onbedoelde zegen om deze armoedige onzin niet te hoeven aanschouwen.

Het worden weer dekselse pingeltjes en Jackie heeft een beroerd voorgevoel. Ik ervaar een vreemde berusting. Jaspertje pakt ze niet. Ron en Wes falen tegenover koekenbakker Romero, het uitgeslapen reservekeepertje van Monaco. De sfeer tussen mij en mezelf is vooral gelaten. Iedere keer dat Oranje de schaarse kansen op een prijs laat glippen is eeuwig zonde. Behalve vier overheerlijke weken voebel is een WK namelijk een fikse confrontatie met de eigen sterfelijkheid. Tijdens het volgende toernooi ben ik 38 jaar. Dat is op zichzelf al belachelijk. En in 2022, de daaropvolgende kans, mag mijn oudste zowat naar de middelbare school. Ga weg man. Hoe verwerk ik deze harde realiteit? Laat ik de boel maar weer opschrijven.

 

Gijs Lauret

Oranje Krul

Oranje Krul 1Vanavond vertoon ik mij zomaar vrijwillig in Amsterdam Noord. Nu een ontketend Oranje flirt met de halve finale begint mijn voorzichtige geloof in de eerste wereldtitel huiveringwekkend op te lopen. Op de pont ouwehoer ik tegen een of andere in oranje gehesen Henkie. “We hebben al één hand op die wereldbeker, of niet soms?” zeg ik. “Maakt allemaal niks uit joh, het gaat om het feestje”, reageert hij. Ik kan een lichte frons niet onderdrukken, Henkie lacht me toe. Hotel De Goudfazant houdt zich op aan het IJ. Op het parkeerterrein staat een indrukwekkende stellage van houten pallets, die dienst doet als surrogaattribune. Een openluchtbiertap flankeert de boel. De wedstrijdbeelden worden geprojecteerd op een soortement groot garagerolluik en zijn met de invallende duisternis allerbehoorlijkst. Het loopt flink vol en bil aan bil gezeten stijgt de knusheid. Zo nu en dan voel ik een schoen in mijn reet; ongericht enthousiasme op de rij boven me. Het hoort erbij; ons volk is één voor Oranje.

Oranje Krul 2“Zo’n wedstrijd is niet negentig minuten vrolijkheid”, brabbelt geleerd sterverslaggever Frank Snoeks al in de eerste helft. Costa Rica verdedigt een gedegen vesting. Naarmate de nieuwbakken telefoon van Snoeks na rust hoorbaar vaker overgaat, begint menigeen allengs bange peentjes te zweten. Mijn zenuwenticjes spelen op. Ik wrijf steeds hardnekkiger in mijn fikken, beweeg onrustig heen en weer, knak met mijn vingers en maak groteske wegwerpgebaren als Borat uit Oezbekistan weer superirritant in ons nadeel fluit. Steeds nijpender wanhoop betreedt mijn gedachtewereld als Sneijdertje en Robin van P. het drommelse houtwerk teisteren. Verder blijkt de fabelachtige ballenvanger Keylor Navas een onneembare horde. Na negentig minuten wacht ons een zenuwdodende verlenging. Met welhaast knappende blaas zie ik twee tipsy heren broederlijk wateren in eenzelfde toiletpot. Onze hooggespannen natie is in pis verenigd, dat biedt vertrouwen.

Introductie van Achterhoekse troetelbeer Klaas-Jan kan de aanvallende impotentie niet drukken; we blijven droogstaan. Een loslopende gek uit Kirgizië steekt voor de zevenendertigste keer zijn erbarmelijke vlaggetje omhoog. Hij drijft hiermee talloze radeloze armezielen tot dolle hysterie. Het onverdraaglijke ongeloof bereikt een godsgruwelijk hoogtepunt als Wes wederom de lat raakt. Oranje bijt zich stuk op de Midden-Amerikaanse muur. Tussen hoop en vrees verblijf ik.

Oranje Krul 3Als de nood het hoogst is, is Koning Louis nabij. In minuut 121 gooit hij Tim Krul erin voor de allesbeslissende pingelserie. Miljarden televisiekijkers wereldwijd krabben zich verdwaasd achter de rode oortjes. Welke knetterdronken onverlaat wisselt zijn keeper? Hoewel ik hem dikwijls voor een zelfingenomen ruziezoeker houd, snap ik Lowietje wel. Ook ik ben dol op Jaspertje Cillessen, maar zijn penaltyhistorie is nou niet je dat. We verliezen de toss, Costa Rica begint. In zestig procent van de gevallen wordt een strafschoppenserie gewonnen door het elftal dat als eerst schiet. Ik verberg mijn hoofd in de schoot, klaar om te zwelgen in deze onvoorziene ellende. Gelukkig attendeert een liefhebbende buurvrouw me erop dat we nog niet verloren hebben. Ook blufgozertje Krul denkt er blijkbaar zo over. Hij wandelt ergerlijk voor de penaltynemers heen en weer, maakt verwaande gebaartjes en lult ze finaal suf. “Ik kom uit De Haag. En jij? Ik ga dit pingeltje effe pakken joh,” lijkt hij te zeggen. Mijn hart klopt in mijn scrotum. Costa Ricaan Bryan Ruiz meldt zich, doorgaans een zekerheidje. De Wezel aait de bal echter als een terminaal zieke vlieg en malle Tim flikt het. Ik voel een exciterende cocktail van adrenaline en dopamine door mijn doorgedraaide gestel racen en slaak primitieve kreten. Dat geeft niet, want deze verstommen in de kakofonie van een kleine honderd andere waanzinnigen. Oranje knalt alles raak. Als Tim deze pakt is het klaar. Hij steekt een Haags handje uit en vermoordt de Costa Ricaanse droom. Ik spring als een wilde in het rond, gil en knuffel alles wat beweegt. Terwijl Snoeks een uitgebreide uiteenzetting over persweeën begint, besef ik dat mijn afgepeigerde lichaam geheel uitgeteld is. Burnout raken op een enkele avond. Het kan.

Op de fiets suist het gejuich minutenlang na in m’n overprikkelde oren. Als ik zachtjes mijn verkrachte stembanden test, blijkt er weinig van over. In de feestende binnenstad heerst een dolvrolijke verkeerschaos. Alles toetert en beweegt kriskras door elkaar. Aan aanrijdingen doen we niet vannacht. Thuis geef ik mijn pittende kleintje haar eerste flesje van dit etmaal. Heel even opent ze haar diepdonkere ogen en schenkt me een hemelse glimlach. “Tim Krul”, fluistert ze in mijn oor. En slaapt verder, als een geluksdronken os.

 

Gijs Lauret

Ode aan PEC-Man

Ode aan PEC-Man 1Met onbegrensde vaderliefde geef ik mij over aan de gruwelijkst denkbare horror: paaseieren beschilderen. Met mijn lievelingspeuter samen, dat scheelt. Twee hardgekookte eitjes zitten ingenieus vastgeklemd in een plastic paaseiconstructie. Isa leeft zich uit als een bezetene. Ze heeft een voorkeur voor diepdonkere kleuren. “Kijk, papa! Ik heb een POEPEI gemaakt!” roept ze om het hardst. Er klinkt een zekere trots in haar stem. “Wat heb jij daar voor gekke vieze praatjes, Isa?” vraag ik gespeeld verrast. “Dat heeft ze niet van mij hoor!” haast Arianne zich te benadrukken vanuit de keuken. Zij kan een stoute giechel niet onderdrukken. “Geloof je het zelf?” schamper ik quasigeïrriteerd.

Ode aan PEC-Man 2Waar het treurende hart van vol is, stroomt het kunstige paaspenseeltje van over. Ik moet een wit eitje schilderen. Met een rode baan in het midden. De weerbarstige schil pakt het vale wit niet goed. “Wat vond jij van Ajax gisteren?” wil ik van mijn oudste horen. “Weet ik niet.” Isa gaat volledig op in haar poepei. “Ajax heeft dramatisch verloren”, ga ik verder. “Waarom?” is haar dikterechte wedervraag. “Omdat Zwolle gisteren de baas was. En dus maak ik een Ajax-ei.” Niet alles hoeft logisch te zijn.

Plotseling strijkt Isa met haar penseeltje over mijn roodwitte eitjesproject. “Wat doe je nou?” reageer ik ontzet.  “Maar ik wil hem ook schilderen!” roept ze hartstochtelijk. “Hij moet blauw! Blauw, papa!” Ik geef me over. Ik leg het hoofd in de schoot. Als ik een minuut later opkijk, is mijn roodwitte ei azuurblauw geworden. PEC-Man vreet alles op.

Zwollé!

 

Gijs Lauret

Ajax zit te prutsen

Ajax zit te prutsen“Kom op ouwe Ajacied, we gaan een ijsje halen buiten!”

“Wat, papa?” Isa doet de deur open. Onbegrijpend bestudeert ze papa’s gezicht.

“We gaan een lekker ijsje scoren, Ajacied van me.”

“Nee, dat ben ik niet.” Ze blijft stilstaan halverwege de eerste trap en kijkt papa verongelijkt aan.

“Of ben je niet voor Ajax? Als je voor Ajax bent, dan ben je Ajacied.” Isa pakt papa’s hand vast. Getweeën dalen zij de lelijke betonnen trappen af. Het is net de ArenA in het klein.

“Ik ben wel van Ajax maar ik geloof er niks van.”

“Waar geloof je niks van?”

“Van Ajax geloof ik niks van.”

“Maar Ajax gaat weer lekker kampioen worden hoor.”

“Geloof ik niks van.”

“Dus je bent toch niet voor Ajax?”

“Nee. Feyenoord.”

Zo gezellig mogelijk (de trillende onderlip nagenoeg tot pulp bijtend): “Feyenoord? Wat zeg je nou, gekkerd?”

“Ajax zit te prutsen!”

“Te prutsen?”

“Ja. Zit te prutsen.”

“Zit Frank de Boer dan ook te prutsen?”

“Ja! Dat is niet goed, want Frank de Boer die gaat slecht voetballen.” Twee kibbelende kenners staan hand in hand op de stoep. Zij worden gestreeld door zachte zonnestralen.

“Gaan we wel winnen van ADO?”

“Nee hoor. Nee. Dat vind ik niet zo gezellig. Dat harde roepen van de mensen bij het voetballen vind ik niet zo leuk. Omdat het pijn aan mijn oren doet.”

Peuters spreken de waarheid, dat weet iedereen. Titel drieëndertig kunnen we op onze arrogante hoofdsteedse buik schrijven. Of neemt Isa me keihard in de zeik hier?

 

Gijs Lauret

Apenkooi

Apenkooi 1Bijwijlen reis ik mijn geliefkoosde clubje achterna voor een uitwedstrijdje. Onderweg word ik steevast gegrepen door die ene prangende vraag: hoe menswaardig is het bezoekersvak? Belanden we in een hermetisch afgesloten beestenkooi zonder enig zicht? Of vangen we zowaar wat glimpen groene grasmat op? Zopas ben ik met Ajax in Breda op visite geweest, bij Noad Advendo Combinatie. De barbaarse apenkooi in Ut Kielegat is van het meest beestachtige soort. We zitten met een man of zevenhonderd vrijwillig opgesloten in een hok met een dikke, glasachtige plastic wand. Deze wand heeft zo zijn eigen visie op wat belangrijk is en laat amper zonlicht door. Bovenop de plastic wandconstructie is een reuzennet bevestigd. Geen dolle Bokito breekt hieruit. De glasachtige plastic platen worden verbonden door volle metalen balken, die voor de diepongelukkige kijkers een grote donkere streep over het verduisterde veld trekken.

Ik app een tribunefotootje naar deze en gene. Van mijn altijd voetbalalerte vader ontvang ik de origineelste reactie: “Ajax-stadion vanmiddag? Sterkte!” Fijntjes attendeer ik hem op de drie kolossale gele letters op de tribune. Hij snapt de hint: “Kerels, in het verre Nijmegen! Tijdens Tweede Wereldoorlog bij vergissing door Geallieerden gebombardeerd. Ik zeg maar.” Ieder zijn hoogstpersoonlijke rigide fetisjtrekjes. Ik zeg maar.

Luttele seconden voor de aftrap wordt naast mij de broodnodige oogschaduwversiering aangebracht, maar het blijkt mosterd zonder maaltijd. We zien een doelpuntloze, geestdodende dramavertoning. Voor zover we iets zien. Vanaf mijn positie valt een metalen dwarsbalk precies rondom de middenlijn. Als de bal zich daar ophoudt zie ik ongelooflijk niks. Dus trek ik om de godvergeten haverklap mijn hoofd in om onder die vervloekte balk door te kijken. Of ik balanceer op mijn tenen en strek mijn nek als trekdrop.

Met hoofd en nek imiteer ik een uitklapbare Ikea slaapbank. Bal voor de middenlijn, klap in. Bal over de middenlijn, klap uit. NAC peert de bal blind naar voren. Klap in. Ajax schuift het arme leer tergend traag heen en weer. Eindelijk over de middenlijn, klap uit. NAC rost hem weer terug. Klap in.

Apenkooi 2Bij het laatste fluitsignaal gilt het Rat Verlegh Stadion alsof de Champions League wordt bijgeschreven. “We hebben schijt, schijt aan Amsterdam”, klinkt het stoer uit Bredase strotten. Wij, lijdzame dierentuinattractie, verlaten onze apenkooi. In het vak naast ons drommen opgefokte Brabo’s samen voor uitzicht op het plastic. Ik zie volwassen mannen grimmig met middelvingers zwaaien, vette klodders spugen en masturbeergebaartjes maken naar andere volwassen mannen. De volwassen mannen staan aan weerszijden van een plastic wand.

Eenmaal thuis hang ik afgepeigerd voor de stomvervelende kijkbuis. Vriendinlief vraagt waarom ik mijn hoofd zo debiel heen en weer beweeg. Plotseling voel ik een intens zeurende nekpijn. Alle onoplosbare wereldproblemen op een stokje (Krim, klimaatverandering, Syrië, Gekke Geert), maar wanneer gaan we eens iets doen aan de wantoestand van die mensonterende bezoekersvakken? Zolang primitief gedrag hoogtij viert is een dieptrieste afrastering vast nodig, maar iets meer zicht op het veld moet anno 2014 toch kunnen.

 

Gijs Lauret

Wes

Het is vrijdag. Vanavond speelt Ajax tegen Galatasaray. Een oefenniemendalletje tussen de Godenzonen en ons beminde Wesley Sneijdertje. Hoogste tijd voor fruitinkopen bij mijn groenteturk, gerund door twee forse gozers, binnen mijn vrouwengezin ‘de jongens’ genoemd. De jongens hebben een accent Amsterdams als Def P maar slapen in een roodgele Galatasaray-pyjama.

Wes 1Bij de kassa doen we een laagdrempelig babbeltje. “Wat denk jij dat Sneijdertje gaat doen vanavond? Niet veel toch zeker?” deel ik een onschuldig speldenprikje uit. Hij weegt mijn bananen en vertrekt geen spier, maar hijst gedecideerd zijn loshangende spijkerbroek over zijn bouwvakkersdecolleté. “Sneijdertje is toch niks meer man, Wes is veel te dik. Die is gek gemaakt door Yolanthe, loopt alleen maar döner te vreten en bakt zijn pens bruin op het strand van Istanbul!” begin ik hem te jennen. “Maar Sneijder heeft nog wel leuke acties hoor, voor het niveau in Turkije is hij een topper,” reageert hij droogjes. “We zien het wel vanavond. Eén vrije trap en dat Ajax kan inpakken met al die zogenaamde talenten!”

“Wie gaat er winnen Isa? Ajax of Galatasaray?” informeer ik bij mijn driejarige wijsgeer. “Galaba… Barbapapa!” roept zij uitgelaten. Zo weten we nog niks. Wat denkt Wes ervan? “Het maakte wel iets in me los”, vertelt gevoelsmens Sneijder aan Ajax TV over het moment dat hij hoorde van de oefenwedstrijd tegen zijn jeugdliefde. Wesje heeft er zin in.

Wes 2In een gezapige voorstelling om de wereldwijd gerespecteerde Antalya Cup bezorgt een juniorenflater bij Ajax de Turken een gratis voorsprong. Kapitein Wes, bandje om de bovenarm, blinkt uit in ingenieuze steekpassjes met utopische bestemming. Hij begaat een lullig overtredinkje en schiet onnozel de bal weg. Dankzij een jolig misverstand belandt hij in een knetterhard fysiek duel met een onbegrijpende medespeler. Wes heeft zijn kunstje gedaan en gaat in de rust lekker douchen. Galatasaray zegeviert stiekempjes met 2-1. Bij een verloren bakkie verkeerde koffie op zaterdagochtend mompel ik tegen mezelf: “In Turkije is hij een topper.” In Turkije. Zo is het. Prompt begint mijn jongste dochter hartverscheurend te brullen.

 

Gijs Lauret

RiedeWIE? Jaj-ro of Dja-jie-ro?

Vanaf mijn aartsluie hangbank zie ik een opgeleefd Roda zich meten met ons Ajax. Broerlief Michiel ligt voor mij op een zorgeloze zitzak. Ajax lijkt baas op het Limburgse pollenveld maar incasseert een achterstand door een ferme kopbal van Haagse Henkie. Prompt daalt de stemming. Ons gesprek stokt. Ik denk tienduizend lelijke woorden maar slik ze allemaal in. Voorbeeldfunctie. Onze dochter Isa is drie, zodoende.

“Hee, staat Ajax achter?” informeert mijn vriendin Arianne, acht ingehouden verwensingen later. “Ja schat, je zat erbij en keek naar het scherm”, reageer ik bits. Een onnozele achterstand kan mij eensklaps tot een onaangenaam heerschap maken, weinig charmant is dat. Mijn vader doet een goedbedoelde duit in het zakje: “Het gaat niet zo goed met Ajax hè? Weet je nog Gijs, vroeger gingen we wel eens kijken, toen had je Finidi George. Die gaf van die mooie voorzetten.” “Ja, weet ik. Vandaag geen voorzet gezien”, mompel ik.

RiedeWIE Jaj-ro of Dja-jie-ro 1Met een 1-0 tussenstand beginnen de heren aan helft twee. Kolbeinn Sigthórsson moet hem erin pissen, maar pist naast. Het resulteert in een onverwacht luide kreet van mijn broeder en mij, overgaand in gecensureerd gemopper. “Papa! Ik schrik daarvan! Niet doen!” Als blikken konden doden, had Isa nu haar schreeuwende vader omgebracht. “Sorry schat, je hebt gelijk”, geef ik toe, terwijl haar twee weken jonge zusje ongestoord ligt te pitten bij haar tante op schoot.

Bij de volgende gigakans kunnen we het volume amper laag houden. “Apart hè, dat voetbal zoveel emotie losmaakt”, begint Arianne tegen mijn vader. “Effe niet praten over ons waar we bij zijn! Dat is echt heel irritant”, kom ik weer supergezellig uit de hoek. “Ik vind het gewoon zo bijzonder, ik begrijp het niet”, zegt Arianne. “Schat, je maakt me al vijftien jaar mee, dus zo raar kun je het niet meer vinden.” Met ieder woord zucht ik er een schepje bovenop. Hier kreunt een gefrustreerde papa met chronisch slaapgebrek.

De lichtzinnige Amsterdammers helpen alle mogelijkheden om zeep. Er dreigt een ouderwetse dramawedstrijd. In minuut tachtig volgt een raadselachtige wissel. Jaïro Riedewald. “RiedeWIE?” raast Mich vertwijfeld, moedeloos onderuitgezakt. “Jaïro Riedewald, zeventien jaar, linksback”, luidt mijn ongeïnteresseerde uitleg. “Jaj-ro? Of Dja-jie-ro?” “Dja-jie-ro. Geloof ik. Weet ik veel.” We hebben alle geloof in een fatsoenlijk resultaat verloren.

RiedeWIE Jaj-ro of Dja-jie-ro 2Minuut 88. Jaïro doet het. De broertjes brullen in koor. “Papa! Ik schrik daarvan! Pijn aan mijn oren!” klinkt het wanhopig uit de kinderkamer. Jaïro juicht niet, maar spurt naar eigen helft. Geen tijd te verliezen. Jaïro wil winnen. Wat een koning. Wat een Ajacied.

In minuut 92 flikt Jaïro het opnieuw. Hij ontdoet zich van zijn shirt en klopt met zijn vuist op zijn hart. Dit is mijn club. Mijn ideaal. Dit is de mooiste club van allemaal. Jaïro maakt ons gek. Ik glijd van bank naar zitzak en verpletter mijn verbouwereerde broertje. Ik kan me niet heugen dat we er zo bij lagen. Het moet twintig jaar geleden zijn. In ieder geval dik voordat Koning Jaïro geboren was.

 

Gijs Lauret