Gijs Lauret

Alledagsverhaaltjes, amateurvoebel, Ajax enzo, Het Vijftiende

Dementie en tijdloze kinderliefde

Dementie en tijdloze kinderliefde“Papa, is jouw werk in Laren?” vraagt Isa me onderhand wekelijks.

“Inderdaad schat, in Laren, wat weet jij dat goed.” Ze neemt een weloverwogen slokje diksap.

“Maar wat is jouw werk dan, papa?” De wijsneus is vastberaden te doorgronden.

“Ik werk in een huis waar oude mensen wonen. Die mensen zijn een beetje in de war.” Ik heb dit al vaak verteld. Iedere keer kijkt ze me onbegrijpend maar mateloos gefascineerd aan.

“Maar wat is dat dan, jouw werk, papa?” Een psychogeriatrische woonomgeving blijft moeilijk te plaatsen in de woelige belevingswereld van een leergierige kleuter in spe.

“Kom je me binnenkort een keer met mama ophalen? Dan kun je het zien.”

“Ja, papa! Ik wil naar je werk! Ik wil naar je werk!” Mijn lieve dropsleutel trekt een vreugdesprint door de kamer.

Op een zonrijke donderdag staan mijn drie grote liefdes voor de poort van De Stichtse Hof: Isa, kleine Nina en hun moeder. Wie ervaring heeft met mensen met dementie, weet dat contact met kleine kindjes garant staat voor ontroerende momenten. Eenmaal binnen worden wij urgent belaagd door mevrouw Van Berkum. Behalve vergeetachtig is mevrouw Van Berkum slechtziend.

“Weet u of ik hier links moet richting Amersfoort, of…” Op luttele centimeters afstand ontwaart zij de acht maandjes jonge Nina, die haar geïnteresseerd beziet. Een betoverende glimlach verovert het aanvankelijk verbeten gezicht van mevrouw Van Berkum.

“O! Wat een lief jongetje ben jij!” Na deze verrassende waarneming is de glimlach prompt wederzijds.

“En jij bent ook een leuk jongetje!” Ze wijst vreugdevol naar Isa, die haar wenkbrauwen een breuk fronst.

“Mama, ik ben geen jommetje”, fluistert ze verongelijkt.

“Nou. Dag lieve jongens! Ik moet de trein halen. Het is deze kant op, niet?”

We hebben een regelrechte psychogeriatrische damesopstopping veroorzaakt. De ganse gang is gebarricadeerd door een stuk of acht hyperactieve, aaigrage bejaarden. Met haar wijd opengesperde donkere kijkertjes observeert Nina haar enthousiaste publiek. Mevrouw Bergman trekt weinig subtiel aan haar handjes, maar het deert haar niet.

In de gezamenlijke huiskamer treffen we een briesende mevrouw Oosterwijk: “Schandalig! Waar is mijn man? Hij moet nu komen!” Als haar verwoestende blik kon doden was Laren en omgeving nu spontaan geëxecuteerd. Ik denk vernuftig te doen en zet Nina pontificaal voor haar op tafel. Zou het helpen? Even lijkt ze van haar stuk. Dan hervat zij haar rol.

“Nee! Ik moet nu geen kind hebben hier! Alles behalve dat! Ik moet nu even tot rust komen, even tot rust komen.” Dat respecteren wij natuurlijk.

Mevrouw De Jong zit in haar vaste stoel en wacht Nina met open armen op. Met een kraamhulpachtige souplesse pakt mevrouw De Jong mijn kleine draak over. Gevorderde dementie blijkt geen enkele belemmering; een baby op de arm hebben is schijnbaar een tijdloze oerbezigheid.

“O, wat lief! Wat mooi ben jij!” jubelt ze.

“Mag ze bij u logeren, mevrouw De Jong?”

“Logeren? Niks ervan. Kom, wij gaan weg!” Ze kijkt Nina glunderend aan.

“We gaan ervandoor.” Mevrouw de Jong drukt Nina dicht tegen haar borst en lacht vertederd. Dat Nina poogt haar bril op te peuzelen mag de hartstocht niet drukken. Ik geloof dat ik zojuist mijn kind heb weggegeven.

Meneer De Wit kijkt bezorgd, maar draait bij de lieflijke babyaanblik als een blad aan een boom om.

“Hee, hallo, ben jij opa?” vraagt hij lachend. De afasie heeft zijn spraak in een genadeloze houdgreep.

Meneer Jansen heeft vooral oog voor detail: “Kijk, kijk! Wat een schitterende wijsvinger heeft ze! Prachtige wijsvinger!”

Een woongemeenschap voor mensen met dementie is geen pretpark, maar vreugde bestaat er. Op weg naar huis evalueer ik met mijn oudste.

“Hoe vond je het op mijn werk, Isa?”

“Leuk, ik wil daar wel blijven. De mensen waren heel lief. En ik vond de wipwap in de tuin het leukst!”

 

Gijs Lauret


PS Namen van bewoners in dit verhaaltje zijn gefingeerd.

Hopeloos Israël en Palestina

Hopeloos Israël en Palestina 1Mijn favoriete groentejongens zijn dicht. Vakantie tot half augustus. Eindelijk hun Turkse bloedverwanten zien. Voor een diepnodige fruitboodschap beland ik bij een Surinaamse alles-en-niks-toko op het Krugerplein. Met een argeloze blik opzij zie ik vijf Palestijnse vlaggen aan de nieuwbouw hangen. “Papa, wat een mooi gebouw!” roept Isa verrukt. “Daar wil ik wel wonen!” Een Palestijnse vlag. Wat vind ik daarvan? Op zichzelf weinig, geloof ik. Ik interpreteer het als internationale solidariteit van vermoedelijke moslims met onderdrukte moslims elders.

Met mijn onwetende lieve meisjes stap ik het tokootje binnen en leg een kleine familie groene appels op de toonbank. Tegenover me staat een magere jongen met een snorretje dat niet doorkomt. “Goedemiddag, ga jij ook zo’n Palestijnse vlag ophangen?” vraag ik stokerig. Zijn gelaat staat op vaag. Voor deze oogopslag is het woord glazig uitgevonden. Het duurt seconden voor hij antwoordt.

“… Ja?” Ik halveer mijn spreektempo.

“Ga je ook zo’n Palestijnse vlag ophangen?” De mistige waas over zijn afwezige gezicht neemt exponentieel toe.

“Ik begrip niet menier”, mompelt hij.

“Die vlaggen. Goed of slecht?”

“Is twee uro viertag menier.” Hij ontvangt mijn innemende glimlach.

“Tuurlijk. Alsjeblieft. Vlag. Daar. Goed slecht?” Hij ademt diep in.

“Niet god. Moet gewon normal zijn toch.”

“Vind ik ook. Oorlog is niet gezellig”, besluit ik onze diepzinnige uiteenzetting.

Palestina. Israël. Jaren geleden heb ik de wrange handdoek in de hopeloze ring gegooid. Ik wil me niet verder verdiepen in bittere uitzichtloosheid. Hoewel een relatief toegewijd krantenlezer sla ik dit bedroevende thema getrouw over. Het is zinloos, een oplossing komt er niet. Zowel de Israëlische overheid als Hamas wil gewoonweg geen structurele vrede. Ze kunnen het aan het leeuwendeel van hun chronisch schuimbekkende achterban niet verkopen om toe te geven aan de ander, aan Het Kwaad. Zolang dit funeste sentiment wederzijds is mogen we hopen dat sint-juttemis ooit nog komt.

Hopeloos Israël en Palestina 2Het dagelijks nieuws vertelt over allerhande incidenten: gehersenspoelde bomgordelfiguren, bloedirritante illegale nederzettingen en om de zoveel jaar een fikse escalatie, zoals nu in Gaza. We zien gruwelijke beelden van radeloze rouwenden, onschuldige burgerdoden en gewonde, huilende kinderen. Ronduit verschrikkelijk. Wie ook maar een luttel greintje gevoel in zijn donder heeft wordt er knap beroerd van. En toch gaat het hier uiteindelijk niet om. Het gaat om de pertinent grove onwil van beide autoriteiten om tot elkaar te komen, ondanks hun geveinsde mooie woorden als er weer eens een goedbedoelende internationale hotshot komt bemiddelen. Dat voor deze onwil allerlei vermeend rationele verklaringen zijn, dat snap ik best. Het gaat echter over de hulpeloze ruggen van miljoenen gewone burgermensen. En daar ben ik klaar mee. Ik kijk weg van deze hemeltergende ellende. Lafjes? Misschien. Realistisch? Dat zeker.

 

Gijs Lauret

Stinktelefonisch contact (gastverhaaltje)

Stinktelefonisch contactOm met de moderne tijd mee te gaan moest de zorgorganisatie waar ik thans mijn werkzame leven slijt onlangs net als menig commercieel bedrijf geloven aan vernuftige flexplekken. Afgeschreven Ahrend-bureautjes, stoffige bureaustoelen en oogverdovende tl-verlichting werden ingeruild voor massief walnoten tafels, ergonomisch verantwoorde zitmeubels en duizelingwekkende designlampen. En weg met de ouderwetse mappen en papierstapels: alle documenten gereduceerd tot pdf of schaars verzameld in je persoonlijke kluisje.

Die flexibele werkruimte is dan wel gesofisticeerd, het heeft een behoorlijke invloed op het intercollegiale plaatje. Waar we vroeger knus elkaars deur plat liepen voor gedegen advies of gewoon een gezellig praatje, zorgt het flexibele kamerrooster ervoor dat ongepland collegiaal contact tot een minimum is ingeperkt. Met sentiment naar onze collegiale jeugd mailen we nu over en weer, terwijl we met smileys onze gemoedstoestanden uitwisselen. En met onze persoonlijke bezittingen en werkmappen onder de armen strompelend naar de ons voor het moment toegewezen kamer, knikken we elkander weemoedig en meelevend toe op de gangpaden.

Gelukkig is er toch nog enig houvast in onze aan de innovatieve consumptiemaatschappij onderhevige organisatiecultuur. Want naast het geijkte collectieve Blackberry-abonnement werden alle contemporaine kamers voorzien van de oude vertrouwde vaste telefoon. Gewoon, te midden van moderne gelikte soberheid, een degelijk en solide donkergrijs apparaat voorzien van draden en stekkers.

Stinktelefonisch contact 2Vandaag heb ik de onmisbare waarde van de huiselijke telefoon op de flexibele werkplek pas echt leren kennen. Nietsvermoedend had de kamermanager (een kordate dame uit de hotelwereld die mopperende medewerkers dagelijks geduldig inroostert op kamers) mij een spreekkamer toegewezen waar ik nooit eerder gezeten had. En zoals altijd ontving ik gastvrij mijn cliënten. De dag verliep onopmerkelijk, totdat ik de zware grijze telefoonhoorn oppakte en tegen mijn luisterende oor schaarde. Uit de telefoontoeter steeg een immense walm op die mijn ingewanden onwillekeurig deed samentrekken. Zo een geur die je tegemoet komt wanneer je ongeschoren buurman je ‘s morgens in zijn geblokte pyjama begroet onderweg naar de postbus om de ochtendkrant op te halen. Zo een bekmeur waar de warme dampen zodanig vanaf stijgen dat je moeite hebt je snuit in een normale plooi te houden. En waarbij ongestokt ademhalen een haast ondoenlijke opgave geworden is. Tevergeefs probeerde ik de hoorn met water en zeep op een tissue schoon te boenen. Ook de hoorn tot noodzakelijke verstaansafstand van mijn gezicht verwijderen bood geen soelaas: het stinkaroma bleef mijn neus tergend prikkelen. Toen besloot ik gepassioneerd mij met de intense geur van het toestel te verzoenen. Tenslotte mis ik mijn collega’s tegenwoordig regelmatig, en op deze manier zijn ze toch een beetje bij me. Daarom overweeg ik vanaf heden iedere werkdag ritueel te beginnen met een diepe snuif in de vaste telefoon.

Bij dezen breng ik een ode aan het ouderwetse telefoontoestel op de moderne flexplek. Je weet misschien niet meer waar je collega’s te vinden zijn, je ruikt ze in elk geval nog wel!

 

Arianne

Bonken met Annie

Bonken met Annie 1Met een diep tukkende Nina in de draagzak schuifel ik het rustige strand van Bergen aan Zee op. De degelijke draagconstructie drukt mijn jongste teder tegen mijn borstkas. Wederzijdse zweterigheid mag de onvoorwaardelijke vaderliefde niet drukken. Twintig meter achter me scharrelen mijn twee andere vriendinnetjes, hand in hand.

“Papa!” Aan de doordringende toon hoor ik dat het menens is.

“Papa! Ik zag allemaal vliegen en die gingen POEP eten! En ze werden er NIET ZIEK van!” Een levenslustige bejaarde met rollator ontkent achter een hand haar zekere glimlach. Een jonge moeder kijkt iets te nadrukkelijk de andere kant op. Een paffende bouwvakker hoort alleen zijn brandende sigaret en zit onbewogen op zijn steiger.

Bonken met Annie 2“POEP eten? Lekker fris! En ze werden er NIET ZIEK van?” schreeuw ik terug. Onze gesprekken zijn de hele dag al een beetje raarderig, ik weet niet wat het is.

“Nee! Ze gingen lekker vieze poep eten. Waarom werden ze er niet ziek van, mama?”

“Daar zijn ze immuun voor”, zegt mama jolig.

“Ienuun?! Hoe zijn ze dan innuun?” Isa wil alles uitzoeken en het naadje van deze poepkous is nog lang niet in zicht.

Eenmaal gevestigd in het mulle zand neemt een lief motregentje ons zachtjes druppelend te grazen. Het uitzicht over de Noordzee wordt er grauwer, maar niet slechter van. Naar aanleiding van een dikke meeuw komen wij over Isa’s favoriete voorleesboek te spreken.

“Wat is Pluk van de Petteflet toch een heerlijk boek hè, met al die mooie karakters. Die gekke meeuw, Karel met de houten poot, die kakkerlak in dat lucifersdoosje, de Stampertjes… Bijna niemand schrijft zulke originele boeken,” blaast mama de welverdiende loftrompet over volksicoon Annie M.G. Schmidt.

Bonken met Annie 3“Ja, dat heeft Annie op haar ouwe dag fantastisch gedaan. Zij heeft haar grootste successen gehad toen ze al op leeftijd was, wist je dat? Zestig plus volgens mij. Toen lag ze geloof ik ook ineens met iedereen te bonken,” moet ik weer zo nodig toevoegen. Ronduit vulgair. En Annie kan deze ongein niet eens meer rechtlullen (ze overleed immers toen ik nog tegen acne vocht).

“Serieus? Wist ik niks van. Wie lag ze te bonken dan?” vraagt mama onverwacht geïnteresseerd.

“Interessante vraag. Geen idee eerlijk gezegd, misschien is het wel onzin zelfs. Maar ik geloof dat ik het eens ergens gelezen heb.”

“Wie ging er pompen, papa en mama?” vraagt Isa verward.

“Annie!” lach ik.

“Waarom?”

“Dat vond ze leuk.”

“Wat lag ze te pompen dan?”

“O niks, ze ging haar fietsband oppompen Isa, dat is alles,” neutraliseert mama de situatie.

“Maar dat is toch gek, mama. Mama, mag ik een kauwgumpje? Dat vind ik zo lekker. Ik wil de hele dag kauwgumpjes eten. Maar je mag het niet doorslikken hoor!”

 

Gijs Lauret

Wtf

Wtf 1Op een broeierige doordeweekse vooravond fiets ik langs een bedaarde Amstel. Drie zonnige metertjes voor mij fietst een ontspannen ogende twintiger. Hij draagt een nonchalante korte joggingbroek. Gedurende zo’n honderd meter verzorgen wij dit onbekommerde fietstafereel. Dan is er de onbegrijpelijke glijpartij. Het is alsof er een onzichtbaar glad ijslaagje ligt. Uit het raadselachtige niets slipt hij zijwaarts en knalt tegen het klinkertjeswegdek, zijn fiets over zich heen. Geschrokken houd ik halt, waarmee ik en passant voorkom dat ik hem volslagen overrijd en vermoedelijk mijn nek breek.

“Wow, wow, wat de fuck. Wat de fuck man”, stamelt hij. Verbouwereerd krabbelt hij overeind. Een secondelang kijkt hij verwilderd rond en heroriënteert zich op zijn omgeving. Op het eerste gezicht geen ernstig letsel, maar toch een onverwacht buitenkansje om me te profileren als crisishulpverlener.

“Hee man. Gaat ie een beetje? Je viel toch niet op je hoofd, of wel?” Ondertussen racen meerdere blinde halvegaren langs, schijnbaar zonder acht te slaan op het ongelukkige slachtoffer of diens creperende fiets.

“Jawel, ik viel wel op mijn hoofd. Maar het gaat wel.”

“Weet je het zeker? Ben je niet duizelig? Anders moet je even gaan zitten. Serieus.” Hij kijkt me onzeker aan. Het moet gezegd, zijn ogen staan helder.

“Ik ga wel even lopen. Pfff, wat de fuck.”

“Het was een behoorlijk geval van wat de fuck inderdaad, je gleed zomaar onderuit leek het wel. Geen oneffenheidje in de buurt, niks. Heel gek.”

“Ik ga wel even heel rustig fietsen”, bedenkt hij nu. Kennelijk heeft hij zijn primaire schrikreactie vlug overwonnen. Hij fietst netjes in een rechte lijn. Vluchtig bestudeer ik zijn gezicht. Nu zie ik de fikse schaver onder zijn wijkende haargrens.

“Je hebt inderdaad een grote schaafwond daar”, zeg ik.

“Ja, ik viel vol op mijn gezicht. Echt, wat de fuck man.”

“Nou ja, je lijkt me niet heel duizelig en je doet verder redelijk normaal. Misschien is dat een geruststelling”, zeg ik.

“Ja. Bedankt voor je hulp”, besluit hij.

Wtf 2“Geen probleem, rustig aan man”, zeg ik nog. Maar dat doet hij niet. Als een bezeten gek racet hij me nu voorbij. Het is niet dat ik zo’n uitzonderlijk rappe fietser ben, maar met het tempo van een stonede schildpad kar ik zeker niet. Als dit maar goed gaat. Hij passeert café ’t Kleine Kalfje en draait de Kalfjeslaan op. In zijn mand voorop de fiets zit een grote zwarte tas. Hij gaat toch niet sporten? Hij slaat linksaf en daalt af richting sportcomplex Het Loopveld. De zotte dwaas gaat voetballen, met zijn gebutste kop. Ik let voor geen meter op en knal op een snorhaar na tegen een paaltje. Luttele metertjes achter me fietst een bloedmooie jonge vrouw. Ze hoeft me dus niet op te rapen. Man, wat een pech. Dat heeft zij weer.

 

Gijs Lauret

Geen man meer

Geen man meerHet is nabij half negen. Mama brengt beide vrolijke zusjes naar de kinderopvang. Isa staat met korte mouwen in de gang, een hippe kinderzonnebril op haar neus. De doorgaans verstrooide weervoorspellers hebben ons verzengende hitte beloofd. Voordat Isa de voordeur achter zich dichttrekt smacht ik naar antwoord op een prangende vraag.

“Isa, vind je mijn baard eigenlijk mooi?” Ze bestudeert mij aandachtig van achter verduisterd zonnebrilplastic. Een pijnlijke secondelang hult zij zich in mysterieus stilzwijgen. Haar mond staat op guitig. Dan komt het hoge woord eruit.

“Ja, leuk!” roept ze enthousiast.

“Kijk er dan maar goed naar. Nu heb ik hem nog, maar over een paar dagen scheer ik hem eraf.”

“Ja, haal hem er maar af!” Blijkbaar is Isa minder gehecht aan mijn nieuwe gezichtsvacht dan ik dacht.

“Eraf? Waarom dan?” vraag ik verwonderd.

“Dat vind ik leuk. Of ben je dan geen man meer?” Deze vraag vind ik onverwacht confronterend.

“Jawel hoor. Zonder baard kun je toch ook een man zijn. Hoezo?”

“Maar waarom gaat die baard dan eraf?” Jolig kijkt ze omhoog naar haar bebaarde vader en begint hardop te schateren. Alsof bij mij een kniepeesreflex wordt opgeroepen schater ik mee. Als je een man bent, waarom gaat dan eigenlijk je baard eraf. Tsja. Weet ik veel.

Isa staat met mama en haar kleine zusje op straat. Ik zwaai naar mijn dierbare lieverds van achter het grote raam. Isa werpt mij sierlijke kushandjes toe. Haar zonnebril is gezakt en steunt op haar bovenlip. Ik kus haar virtueel terug in de wrede wetenschap dat aan mijn baardbevochten mannelijkheid weldra een hardvochtig einde zal komen.

 

Gijs Lauret

De digitale afgrond

De digitale afgrond 1Vroeger had niet iedere knotszotte dwaas zo’n verdomde smartphone. En ik dus sowieso niet. Toen, ooit, een jaar of drie geleden, ergerde ik mij de vliegende vlekpleuris aan het gestoorde junkiegedrag van dat irritante smartphonepubliek. Dan dacht ik in een diepzinnig gesprek verwikkeld te zijn en toverde zich plotsklaps dat piepjes uitbrakende onding tevoorschijn. De persoonlijke aandacht bij mijn stimulusgestuurde gesprekspartner was met de noorderzon opgesodemieterd. Vertrokken naar verneukeratief WhatsApp of bedrieglijk Facebook. Lang heb ik deze digitale beroerdigheid standvastig buiten mijn leven gehouden. Met reden. Ik wist: als ik zo’n rampending heb, ga ik me ook als een contactgestoorde randidioot gedragen. Ik transformeer naar een lompe boer die in gezelschap gaat lopen appen, tweeten of andere ridicule nonsens. Ik word hulpeloos telefoonjunkie. Ik zal geestelijk nooit meer zijn waar ik lichamelijk ben. En dat is niet tof.

Halverwege 2012 bezwijk ik. Broerlief schenkt mij een appeltelefoontje. Hij heeft namelijk zelf een nieuwe. Sedert deze noodlottige gebeurtenis zak ik almaar dieper in het wrede smartphonemoeras. Ergens in 2013 ben ik dermate van het padje dat ik zelfs de bezopen fakewereld van privacyschendend Facebook betreed. Ik verblijf ongemerkt kwartierenlang op het watercloset, append naar weet ik veel wie over weet ik veel wat. Bij momenten erger ik me groen en geel. Moet ik weer Twitter kijken. En waarom eigenlijk. Bloedirritant. Toch blijkt het nooit irritant genoeg om ermee te nokken. Het is ook best vermakelijk. En zo’n appgroep is afgrijselijk efficiënt. Maar toch. Het wringt.

De digitale afgrond 2Mijn lieve kindjes spelen met elkaar. Isa wil haar kleine zusje op schoot. Uitgelaten roept ze: “Hee, hee! Ik heb je gemist! Lieverdje! Lieverdje. Kom je bij mij op schoot! Ja, wat gezellig!” Nina laat het zich welgevallen en kijkt nieuwsgierig om zich heen. Ze probeert een knuffelpaddenstoeltje te verorberen. Het lukt niet. De zusjes liggen naast elkaar op een speelkleedje als Nina spontaan begint te jengelen. Grote zus sust op geheel eigen wijze: “Wat is er lieverdje! Wat is er met je lieve romper? Wij zijn bij je hoor! Ja, ik ben bij je en papa. Echt waar hoor.” Nina lacht alweer en kijkt haar zorgzame zus stralend aan. Ze kraait dat het een lieve lust is, grijpt een goudblonde haarlok en geeft er eens een flinke ruk aan. Subtiel pakt Isa het kleine babyhandje en bevrijdt haar eigen kapsel. Ze weet dat Nina het niet expres doet. Ik geniet met de volste teugen. Mijn kindjes staan in oprecht menselijk contact met elkaar. Ze zien elkaar, horen elkaar, voelen elkaar. Ik heb een strohalm. Niet alle hoop voor de toekomst is vervlogen. Uit het noppes wendt Isa zich tot mij: “Papa, mag ik je telefoon?” vraagt ze. “Waarom?” reageer ik verrast. “Ik wil YouTube!” Op naar de digitale afgrond.

 

Gijs Lauret

Opgroeien is wennen

Opgroeien is wennen 1Deze week is een grootse maandenlange hunkering spectaculair aan zijn eind gekomen. Isa mag een ochtendje wennen op de grote school. Gisteren heeft ze gedebuteerd en enkele spannende uurtjes van haar aanstaande kleuterklas geproefd. Dat enerverende dagdeel heeft ze grotendeels zwijgend maar in goede harmonie met haar nieuwe omgeving doorgebracht, schijnt het. Vanochtend loopt ze weer over van zin. Gemoedelijk pakken we haar blitse Nijntje rugzakje in. Isa heeft hem finaal volgepropt met speelgoed, dat eenmaal op school sowieso in de rugzak blijft. Maar geeft niks. We voegen toe: een plastic beker water met draaidop en haar hoogstpersoonlijke broodtrommeltje met twee gepelde mandarijnen.

Als ik Isa achterlaat voor het traditionele kringgesprek ontwaar ik rode oogjes en een ingehouden, maar steeds dreigender pruillipje. Boven alles probeert ze flink te zijn. “Papa, jij moet hier blijven”, fluistert ze snikkend. De lieverd. Hoe graag zou ik haar nu voorgoed in mijn warme papa-armen sluiten. Beetje de superheld uithangen en nooit meer loslaten. Ik moet met bloedend hart iets tegennatuurlijks doen; snel wegwezen om te voorkomen dat dit op een reuzendrama uitloopt. Juf Suzanne heeft het allang gezien; zij vangt Isa profi en liefdevol op.

Om kwart voor twaalf is het wenfestijn voorbij en tref ik Isa staand voor de school. Met een brede, licht verlegen glimlach kwettert ze tegen juf Suzanne. Voordat ze mee naar huis komt, wil ze per se naar de wc. Monter sprint ze met een toekomstig klasgenootje naar binnen. Als we eindelijk het plein af wandelen spreek ik voor het eerst de weldra vertrouwde woorden:

“Hoe was het vandaag op school, Isa?”

Opgroeien is wennen 2“Ja was leuk, school. Ik heb een mandarijntje gegeten en toen zat er een pitje in denk ik, en toen heb ik dat er zelf uit gehaald en niet aan de juf gevraagd!” Mijn held is vervuld van trots, dus ik ook.

“Wat goed van jou, schat. En wat heb je geleerd vandaag?”

“Nee, ik heb nog niet geleerd. Ik doe niks. Het heeft een beetje geregend hè, papa. En de zandbak was nat, en het klimrek. Er ging maar één kindje in de zandbak rennen en dat was niet ik.” Hoe zou het met haar favojongen gaan (zie gijslauret.nl/thomas/), denk ik ineens.

“Ging Thomas in de zandbak rennen?”

“Nee hoor!”

“Heb je Thomas nog gezien?” vraag ik als randdebiele ouder naar de bekende weg.

“Ja natuurlijk papa! Ik zit in dezelfde klas van Thomas. Thomas zit niet in een andere school ofzo. We hebben buiten gespeeld. Toen ging ik een beetje reageren enzo.” Aha, juist ja. Intellectuele kindertaal?

“Ging je reageren? Wat deed je dan?”

“Gewoon, een beetje reageren, papa.” Dat ik dat niet snap…

“O ja. Was het kringgesprek leuk?”

“Ja hoor papa, leuk.”

“Heb je ook iets gezegd?”

“Nee, ik heb niks gezegd. Ik reageerde daarom heb ik niks gezegd. Ik ging een beetje kijken enzo.”

Opgroeien is wennen 3Thuis grist Isa een klein potje uit haar Nijntje rugzakje. Ze schenkt me haar allermooiste glimlach. Op de zelfverzekerde toon van een door de wol geverfd deskundige zegt ze: “Ik ben nog een beetje verkouden.” Ze draait het dopje eraf en neemt een minuscuul pilletje in. Mijn mond valt open. De verpakking vertelt: ‘Homeopathisch geneesmiddel bij terugkerende verkoudheid. Voor kinderen van 0 tot 6 jaar. Buiten bereik en zicht van kinderen houden.’ Opgroeien gaat met reuzensprongen, maar het kan ook te gek hè. Deze bergen we nog even op.

 

Gijs Lauret

Thomas

Thomas is vier. Hij zit al op de grote school. Thomas heeft een grote jongensfiets waarop hij stoer over de stoep crost. Hij voetbalt met andere grote jongetjes op het plein. Thomas heeft mooi blond haar. Soms beeldt Isa zich in dat zij ook Thomas is. Haar papa is dan even Thomas’ papa en haar mama is dan Thomas’ mama. En Nina is dan Thomas’ kleine zusje. Isa droomt ervan om net zo groot als Thomas te zijn.

ThomasVandaag doen we de gebruikelijke boodschappen bij onze geliefkoosde groentejongens. Zomaar verschijnen daar Thomas en zijn vader. Thomas staat naast zijn grote fiets. Schuchter als onwennige pubers staren Thomas en Isa elkaar aan. Zij staat erop om met hem naar huis te fietsen. “Ik kan harder!” roept Thomas. Hij passeert Isa en vliegt met zijn grote fiets vooruit over de stoep. Isa kart er met haar lieflijke rode fietsje fanatiek achteraan. Het juk van de zijwieltjes heeft zij inmiddels afgeworpen; ze is een grote meid, met haar waarachtige tweewieler. Thomas vraagt zich kennelijk af waar iedereen blijft. Penibel wankelend doet hij een hachelijke poging tot omkijken. Nadat hij ternauwernood een smoezelig portiek heeft ontweken kantelt hij volmaakt naar links. Op een snorhaartje na ramt hij een gloednieuwe geparkeerde Vespa. Hij fietst doodgemoedereerd door en houdt netjes halt bij de straat. Van onder haar roze fietshelm kijkt Isa hem nu zelfbewust aan. “Ik weet niet hoe jouw huis er van binnen uitziet”, zegt Thomas. Isa steekt van wal. “Ons huis is, je kunt naar de wc, in de gang, van alle kanten, en naar de badkamer. Dan kun je douchen enzo. Douche jij wel eens?” Thomas kijkt haar geschrokken aan. Hij mag dan naar de grote school gaan, na deze confronterende vraag staat hij met zijn mond vol melktandjes. Lichtjes bedremmeld schudt hij zijn hoofd. “Ik ga in bad”, fluistert hij. “Thomas is nog niet mijn vriendje”, zegt Isa hardop. “Dan moeten we nog vriendjes worden, als je naar school komt”, zegt Thomas. “Dat gaat zeker lukken”, vult zijn vader aan. Thomas weet genoeg. “Ik ga naar huis!” roept hij. Zijn vader zegt dat hij wel moet oppassen bij het oversteken. Dat doet hij. Thomas douchet misschien niet, maar dat compenseert hij ruimschoots. Simpelweg door Thomas te zijn.

 

Gijs Lauret

Het sprookjeshuwelijk van Wes en Bar

Het sprookjeshuwelijk van Wes en Bar 16 juni 2014 is meer dan D-Days zeventigste verjaardag. Astronomisch meer. Er speelt namelijk iets wezenlijks rondom onze beminde medemensen Wessel en Barbara. Zij geven elkaar in het Zeeuwse Sluis hun liefdevolle jawoord, althans dat is radicaal te hopen. Vanuit onze zogenaamd bruisende hoofdstad, zelfbenoemd centrum van de verder onbeduidende aardkloot, is provinciaal Sluis een kleine wereldreis. Maar een kniesoor die daarop let en bovendien heeft zelfs de knorrigste kniesoor er gewoonweg zin in. De wereldreis valt echter bepaald niet mee. Mijn grote liefde en ik verzuipen in een ongelukgerelateerd verkeersinfarct nabij Antwerpen. De tijd gaat er vliegensvlug vandoor en legt een bom onder onze aanwezigheid in Sluis. Juist nu propt bij een Belgisch tolpoortje die doldrieste aso zijn vadsige asobak voor onze Volvo. Dit trek ik niet. Ik treed grootscheeps buiten mezelf (gecensureerde versie): “Godverdevliegendevlekkenpleuris, asociale pannenkoek! Topidioot! Ga een paar Vlamingen van de weg drukken! Zout effe lekker op naar België joh!” Dat ik al uren stilsta in datzelfde België realiseer ik me kennelijk niet. Dom. Dat onze ramen gesloten zijn en de argeloze Belg niks hoort, realiseer ik me wel. Dat scheelt.

Het hagelt steenharde zonnestralen. Het komt goed. In blessuretijd melden wij ons op de Groote Markt van Sluis. De stralende bruid in haar oogverblindende jurk (een schoonmoederproductie!) overhandigt ons de benodigde parkeerkaart. Daarna wordt zij naar binnen gedirigeerd terwijl haar zussengetuigen staan te snikken. Vreugdetranen. Vader heeft hun kleine zusje weggegeven. Aan Wessel. Superlieve snuiter.

Het sprookjeshuwelijk van Wes en Bar 2De formele kant verloopt goeddeels vlekkeloos, hoewel de te elfder ure ingevallen trouwambtenaar een volstrekt incoherent betoog ophangt. Het slaat als een verbogen waterpomptang op een stomdronken varken, maar mag de trouwpret geenszins drukken. Eindelijk is daar het moment. De Kus. Bar en Wes doen een noncha highfive alvorens elkaars kusgrage lippen gretig aan te vallen. Nog een keer. En nog eens. Dit is geen kus meer. Dit is Zoenen 2.0. De angst bij onze licht benepen ambtenaar loopt kennelijk hoog op: “Ja! Zo is het wel genoeg geweest!” Aldus beëindigt zij deze ongewenste intimiteiten.

Het sprookjeshuwelijk van Wes en Bar 4Het volgende station is de wakkere Dorpsstraat van metropool Retranchement, op de grens met onze geliefde zuiderburen. In de verrukkelijke tuin heeft de traditionele bloemenworp plaats. Het eerstvolgende bruidspaar is bekend. De barbecue is hemels: allerhande salades, hamburgers, kip en onvermijdelijke Wijkosaus vliegen in het rond. Vervolgens wacht het sprankelende bruidspaar op de dorpsstraatstoep een verrassing. Een gans fanfareorkest leeft zich superieur uit. Dat ze speciaal hiernaartoe komen! Wat een lieverds. Zeeuws Vlaanderen schudt op zijn broze grondvesten. Wes en Bar bedanken hen uitbundig alvorens het zoete dorpsclubje met blaasinstrumenten op de rug de straat uit wandelt. “Dat is de plaatselijke muziekvereniging. Die oefent iedere vrijdagavond, hier tien meter verderop”, wordt mij fluisterend toevertrouwd.

Het sprookjeshuwelijk van Wes en Bar 3Er wordt intiem gedanst en door menigeen geknuffeld. Als na tienen het gerstenat op is, garandeert dat een beschaafd vervolg. En welgemanierd blijft het met levensverrijkende gesprekken over kinderen die noppes of juist alles vreten, over wiet op zolder, diëten, gratis stinkamaretto op Kos, schoenen van struisvogelleder, vissen terwijl je middenin de stroming staat en plastische bevallingen met uitwerpselen en kots. Alles gebeurt onder begeesterende begeleiding van onze meester DJ Thijs. Zeurmensen met verzoeknummers blaft hij af, maar dat is professioneel: het hoort bij de act. Bar en Wes glimmen. Sprookjesachtig stel. Kleine Wes trappelt zelfverzekerd tegen de buikwand van Bar, zijn moeder. De toekomst is zonnig. Er komt een Ajacied aan.

 

Gijs Lauret