Moe van het fietsen

by Gijs Lauret

Moe van het fietsen 1School is aan de overkant. Eén suffig straatje oversteken en twintig meter drentelen, dan zijn we er. De fietstraining van Isa is zodoende op creperen na dood. Ze is zelf nauwelijks happig bovendien. Vandaag hebben we haar driftig opgestookt. Ze wil ervoor gaan. Op de stoep.

“Papa, je moet me helpen!” roept Isa, terwijl ze in de startblokken staat. Eén kek laarsje op de vochtige stoepklinkertjes, de ander op de hoogste trapper.

“Ik sta naast je Ies, trappen maar! Je kunt het hartstikke goed zelf!” Ik ben nogal van de vertrouwen- en zelfstandigheidstimulering. Weifelachtig trapt ze op het pedaal, waardoor ze kortstondig slingert alvorens soepel weg te karren.

“Ziet er goed uit lieverd! Uitstekend!” roep ik. Mijn topkleuter remt halfbakken en mindert vaart door met haar zwabbervoetjes over de tegels te schuiven. Het wederzijdse toneelstukje van hulp vragen en aanmoedigen herhaalt zich meermaals, waarbij het remmen steeds vloeiender verloopt. Isa ziet er dan ook voortdurend aanleiding toe. Als zich twintig meter verderop een slome kat ophoudt, staat ze al stil.

“De stoep is zo klein, er staan overal fietsen”, klaagt ze.

“Daar fiets je zo langs hoor Ies, gaat lukken. Trap maar”, zeg ik. Het lukt wonderwel. Tot aan die mobiele bouwvakkerplee.

“Hee, zo’n vieze wc, die staat echt gigantisch in de weg!”

“Hij staat stil hoor Ies, rijd er maar lekker langs!” moedig ik aan. Niks ervan. Isa remt voor plastic.

Moe van het fietsen 2“Nee, ik ga lopen, papa, dat heb ik al gezegd.” Hier valt door geen Brugman tegenop te lullen. Isa wandelt naast haar rijwiel, handjes aan het stuur. Ik acteer vaderlijk geduld. Dan dondert plompverloren het zadeltje van haar kinderfiets af. Weer heeft die waardeloze secondelijm het begeven. Ik druk het neplederen onding terug op zijn plek. Mijn broze geduld wordt op de proef gesteld, maar breekt niet.

“Ik ben moe van het fietsen”, mompelt Isa.

“Van het lopen bedoel je”, zeg ik gniffelend.

“Nee papa! Van het fietsen”, zegt ze gedecideerd, met zichtbaar verstarde wenkbrauwen. Tot zover de fietstraining. Het geeft niet, houd ik mezelf voor, mijn vaderlijk geduld als een kauwgumpje oprekkend. Daar klettert dat strontvervelende klotezadel. Wederom. Kalm raap ik het op. Door de miezer strompelen we voort. Moe van het fietsen.

Gijs Lauret