Niet luier meer

by Gijs Lauret

Eindelijk vakantietijd. Van Mokum naar een gat in de Duitse deelstaat Rheinland Pfalz is een roadtrip van een uurtje of vier; de reis naar zindelijkheid duurt langer. Je wordt je bewust van alle grote kindjes zonder luier en hebt er acuut tabak van. “Ik wil niet luier meer”, luidt jouw onherroepelijk besluit.
Aldus geschiedt. Per heden elk uur op potje of plee. Bij het eerste ritselend plasgeluid smijten we ter aanmoediging met complimenten. Voor elke plas een sticker op je strippenkaart. Een volle strippenkaart betekent cadeautje uitzoeken. Het beloningssysteem werkt als een tierelier en we beleven zowaar een droge nacht (!). Drie of vier keer per etmaal helpen we je verkleden. Dan is je peuteronderbroek doordrenkt.
Een hittegolf teistert ons van zomerse verwachting kwakende kikkerlandje. Het is bloedheet in de Volvo en de airco helpt geen ruk. We zijn een stief half uurtje onderweg, voornemens spoedig halt te houden voor jouw eerste pisstop.
“Plasje, plasje”, klinkt jouw vertederende slis vanaf de achterbank. “Isa, moet je nu een plasje, of heb je al een plasje gedaan?” Je kijkt me schuldbewust en licht getormenteerd aan. Je blik zegt meer dan duizend antwoorden. We stoppen.
Je stoel is kurkdroog! Wat een onwaarschijnlijke stunt. Met je fuchsiaroze po in je handje wandel je naar het openbaar toilet. Trots.
Tijdens de rit jengel je soms als een neergeknuppeld zeehondje. “Ik wil eruit, ik wil vakantie. Waar is Thailand?” Wachten duurt lang, betoogde Bert eens monotoon lijzig zingend tegen zijn platonische billenmaat Ernie. Jouw gepiep valt soms niet mee, maar op je kinderstoel is twee tussenstops verder nog geen urinespoor te bekennen.
Eenmaal in het Rijnland is de noodconstructie van handdoek met plastic zak op je stoel overbodig gebleken. Hiermee vernachel jij dit verhaal. Mijn blog rekende op een kleine milieuramp waarin je de auto van mijn schoonouders volkomen ondersteboven zou zeiken en we gedrieën op een haar na zouden verzuipen door jouw dodelijke goudgele vochtproductie. Dankzij een chaotische last minute ziekenhuisopname boordevol Nederlands-Duitse spraakverwarring (“Hilf uns bitte, unsere Lungen sitzen voll mit Plasch und wir sind an es versaufen”) en spectaculaire gang door een autowasstraat zou alles ternauwernood goed komen. We zouden niemand iets vertellen. “Heerlijk een weekje niks gedaan” of: “Even lekker helemaal weg” zijn in zo’n geval perfecte holle frasen die geen moeilijke argwaan oproepen. Indien ik jong zou moeten sterven, zou ik overigens tekenen voor bovenstaand verdrinkingsscenario.
Gemoedelijk zitten we tezamen in een ruime badkamer. Jij op een witte plastic pot, ik op een Duits watercloset. “Mooie badkamer, papa. Papa, als je moet poepen mag je gewoon zeggen hoor! is niet erg. Hoef je niet in je broek te doen.”
Oma heeft een zandbak achter het huis gemaakt. Je bent er behoorlijk hieperdepiep van. De felgekleurde kunststof vrachtwagen wordt beladen met zandvracht en weer omgekieperd. Nog een keer. En nog een keer. Er groeit zienderogen een gruwelijk verdachte bult achterin je korte peuterbroek. “Isa, heb jij een poepje gedaan?” “Nee mama, nee! Met de vrachtwagen in de zandbak spelen, mama!” Het is een indrukwekkend exemplaar. Een dikke vette bruine kiwi.
De ware zindelijkheid is nog luttele kilometers rijden.

Gijs Lauret