RiedeWIE? Jaj-ro of Dja-jie-ro?

by Gijs Lauret

Vanaf mijn aartsluie hangbank zie ik een opgeleefd Roda zich meten met ons Ajax. Broerlief Michiel ligt voor mij op een zorgeloze zitzak. Ajax lijkt baas op het Limburgse pollenveld maar incasseert een achterstand door een ferme kopbal van Haagse Henkie. Prompt daalt de stemming. Ons gesprek stokt. Ik denk tienduizend lelijke woorden maar slik ze allemaal in. Voorbeeldfunctie. Onze dochter Isa is drie, zodoende.

“Hee, staat Ajax achter?” informeert mijn vriendin Arianne, acht ingehouden verwensingen later. “Ja schat, je zat erbij en keek naar het scherm”, reageer ik bits. Een onnozele achterstand kan mij eensklaps tot een onaangenaam heerschap maken, weinig charmant is dat. Mijn vader doet een goedbedoelde duit in het zakje: “Het gaat niet zo goed met Ajax hè? Weet je nog Gijs, vroeger gingen we wel eens kijken, toen had je Finidi George. Die gaf van die mooie voorzetten.” “Ja, weet ik. Vandaag geen voorzet gezien”, mompel ik.

RiedeWIE Jaj-ro of Dja-jie-ro 1Met een 1-0 tussenstand beginnen de heren aan helft twee. Kolbeinn Sigthórsson moet hem erin pissen, maar pist naast. Het resulteert in een onverwacht luide kreet van mijn broeder en mij, overgaand in gecensureerd gemopper. “Papa! Ik schrik daarvan! Niet doen!” Als blikken konden doden, had Isa nu haar schreeuwende vader omgebracht. “Sorry schat, je hebt gelijk”, geef ik toe, terwijl haar twee weken jonge zusje ongestoord ligt te pitten bij haar tante op schoot.

Bij de volgende gigakans kunnen we het volume amper laag houden. “Apart hè, dat voetbal zoveel emotie losmaakt”, begint Arianne tegen mijn vader. “Effe niet praten over ons waar we bij zijn! Dat is echt heel irritant”, kom ik weer supergezellig uit de hoek. “Ik vind het gewoon zo bijzonder, ik begrijp het niet”, zegt Arianne. “Schat, je maakt me al vijftien jaar mee, dus zo raar kun je het niet meer vinden.” Met ieder woord zucht ik er een schepje bovenop. Hier kreunt een gefrustreerde papa met chronisch slaapgebrek.

De lichtzinnige Amsterdammers helpen alle mogelijkheden om zeep. Er dreigt een ouderwetse dramawedstrijd. In minuut tachtig volgt een raadselachtige wissel. Jaïro Riedewald. “RiedeWIE?” raast Mich vertwijfeld, moedeloos onderuitgezakt. “Jaïro Riedewald, zeventien jaar, linksback”, luidt mijn ongeïnteresseerde uitleg. “Jaj-ro? Of Dja-jie-ro?” “Dja-jie-ro. Geloof ik. Weet ik veel.” We hebben alle geloof in een fatsoenlijk resultaat verloren.

RiedeWIE Jaj-ro of Dja-jie-ro 2Minuut 88. Jaïro doet het. De broertjes brullen in koor. “Papa! Ik schrik daarvan! Pijn aan mijn oren!” klinkt het wanhopig uit de kinderkamer. Jaïro juicht niet, maar spurt naar eigen helft. Geen tijd te verliezen. Jaïro wil winnen. Wat een koning. Wat een Ajacied.

In minuut 92 flikt Jaïro het opnieuw. Hij ontdoet zich van zijn shirt en klopt met zijn vuist op zijn hart. Dit is mijn club. Mijn ideaal. Dit is de mooiste club van allemaal. Jaïro maakt ons gek. Ik glijd van bank naar zitzak en verpletter mijn verbouwereerde broertje. Ik kan me niet heugen dat we er zo bij lagen. Het moet twintig jaar geleden zijn. In ieder geval dik voordat Koning Jaïro geboren was.

 

Gijs Lauret